Vorig
jaar werd de Schotse folkzangeres Robyn Stapleton met een zogenaamde BBC Radio
Scotland Young Folk Award vereerd. Zij studeerde muziek aan de Irish World
Academy in Limerick. Het afgelopen jaar trad ze veelvuldig op en werkte samen
met o.a. Emily Smith. Onlangs bracht zij haar debuutalbum Fickle Fortune uit. Stapleton is afkomstig uit Stranraer in het
zuidwesten van Schotland. Op heldere dagen kan je Ierland zien liggen. De
mensen afkomstig uit dit gebied hebben nauwe banden met het buurland.
De
afgelopen jaren ervoer Robyn hoezeer elke beslissing of gebeurtenis, hoe klein
ook, het leven danig kan veranderen. De op Fickle
Fortune bezongen traditionele verhalen handelend over de wending van het
lot zijn in onze tijd minsten zo relevant als in de tijd dat zij geschreven
werden is de stelling van Stapleton. Dit is de rode draad binnen de fraaie
selectie van twaalf stukken afkomstig de Ierse en Schotse traditie. Zij brengt
het materiaal zowel in het Engels, Schots als in Gaelic. Robyn concentreert zich hierbij
geheel op haar eigen klassiek geschoold klinkende stem voorzien van fraai
vibrato. Muzikale ondersteuning wordt geboden door Alistair Iain Paterson
(piano), Kristan Harvey (viool), Hajime Takahashi (gitaar) en Stephen Heffernan
(accordeon).
Het
album opent met de donkere ballade The
Two Sisters die opvallend genoeg voorzien is van een opgewekt klinkende
melodie. Vergezeld van gitaar en accordeon neemt Stapleton vervolgens gas terug
met de bijzonder fraai ingetogen gebrachte Ierse ballade Bruach Na Carriaige Báine.Met dit in
Gaelic gezongen stuk laat ze de luisteraar pas echt goed kennismaken met alle
facetten van haar bijzondere stem. De pianoballade Blue - Eyed Nancy was het eerste stuk dat Robyn tijdens haar
verblijf aan de Irish World Academy instudeerde. Het is een van haar favoriete
stukken, wat mij betreft is het tevens één van de hoogtepunten van dit album. Bonnie Woodhall, het lied over de
mijnwerker die zich als soldaat aanmeldt om ten strijde te trekken, kent vele
vertolkingen. Tot de meest memorabele reken ik die van zowel Niamh Parsons als die
van Niamh Dunne. De door gitaar
en viool begeleidde versie van Stapleton mag zich sinds kort zondermeer tot dit
eersteklas gezelschap rekenen.
Met
het op muziek gezette gedicht Noran Water,
de veelgelaagde ballade Willie o’ Winsbury
en het stemmige What A Voice weet
Stapleton de luisteraar verder aan zich te binden. Wat een stem. Naast fraaie
ballades kent Fickle Fortune tevens het
opgewekte en tot mee neuriënd uitnodigende Jack
Hawk’s Adventures In Glasgow. Met het al even levendig klinkende The Lads That Were Reard Amang Heather
sluit het album af. Hiermee is de cirkel rond. Het stuk bezingt de avonturen
van een levenslustige jongedame die zich weinig aan verfijnd voedsel of mooie
jurken gelegen wenst te laten liggen. Met de jongens dansen zal ze!
Met
Fickle Fortune brengt Robyn
Stapleton een even fraai als smaakvol geïnstrumenteerd album. Klasse debuut!
Met zijn vijfde album Not one but another verschijnt de Britse zanger, gitarist en
liedjesschrijver Andy Kirkham eindelijk op mijn radar. Hij laat zich als een
bijzonder begenadigd gitarist kennen die o.a. Oost Europese en Afrikaanse
muziek speelt. Hij nam in het verleden materiaal van zowel Ali Farka Toure,
Martin Simpson, Villa Lobos als van Astor Piazzola onderhanden. Voor Andy is de
wereld een dorp. Op zijn debuutalbum Unsui
bracht hij werk van o.a. Bert Jansch, John Renbourn en John Martyn. Deze namen worden
tegenwoordig net iets te vaak genoemd, de lezer mag ze wat mij betreft meteen ook
weer vergeten. Wanneer ik er in geslaagd ben om aan te geven dat Not one but another mij dikwijls aan de
fraaie akoestische folk muziek uit begin jaren zeventig deed denken dan ben ik
een tevreden mens.
Wie ver reist kan veel verhalen. Juist dit doet Kirham
op zijn nieuwste album met negen zelfgeschreven stukken en twee traditionals.
Na een lange reeks van concerten weer thuiskomen is hetgeen hij bezingt in
opener Travelling Song. Het kalme
glashelder opgenomen akoestische gitaarspel domineert meteen, hier bijgestaan
door een accordeon. Het zal hét recept voor het gehele album blijken. Stem en
gitaar vergezeld van een enkel ander instrument. Zo klinkt op het net iets meer
tempo makende Call Me tevens de
staande bas maar ook een pan met water die als percussie instrument wordt
ingezet. De uit het Midden Oosten afkomstige traditional Lammah Badahopent met een fraaie Spaanse gitaar. Cahon en viool versterken vervolgens
de Mediterrane sfeer.
Met het beknopte instrumentale Ottro
Pollo Verde laat Andy zich als de ingetogen gitarist kennen die ooit werk
van Eric Satie opnam. Meteen daarop volgend brengt hij het eveneens
instrumentale Cat Bells waarop van
meer dynamiek sprake is en alles uit de kast mag. Het hooggestemde derde
instrumentale stuk Pteraphyllum Scalore(Angel Fish) lost even verderop de
inmiddels even hooggestemde verwachtingen volledig in.
Tot de mooiste stukken van dit album reken ik zondermeer de uit West Afrika
afkomstige traditional Jarabi. Staande
bas en kalebas ondersteunen niet slechts het lome ritme maar zorgen tevens voor
de nodige couleur locale. Met het ingetogen Sundown,
geïnspireerd op de begrafenis van Margaret Thatcher, sluit Kirkham het album
af. Gesloten fabrieken en daardoor ten dode opgeschreven dorpen vormen de
achtergrond. Bij deze terugblik op de gevolgen van het door de Iron Lady
gevoerde desastreuse beleid laat Andy zich nog eenmaal gewapend met stem en
gitaar van zijn beste kant laat zien.
Met Not one but another neemt Andy
Kirkham de luisteraar mee op reis. Hij deelt zijn persoonlijke ervaringen zowel
thuis als onderweg opgedaan. Het levert een veelzijdig album op dat mij in
korte tijd dierbaar geworden is.
Na
ruim 40 jaar intensief muziek luisteren dichtte ik mijzelf zo langzamerhand het
talent toe dat ik op basis van het hoesontwerp beoordelen kon of het daarbij
horende album mij al dan niet zou aanspreken. Eerlijk gezegd kwam ik daar
doorgaans een heel eind mee. Het laatste album van zangeres en
liedjesschrijfster Dana Sipos zette mij onlangs echter compleet op het
verkeerde been. Roll Up The Night Sky
leek mij op basis van de hoes totaal oninteressant.
Dana
Sipos is afkomstig uit Yellowknife. Deze subarctische stad ligt in het hoge
Noorden van Canada. De afgelopen jaren toerde ze intensief waarna ze onlangs in
Banff middenin de Canadese Rocky Mountains neerstreek. Samen met producer en
multi-instrumentalist Jordy Walker werkte zij een paar maanden aan haar nieuwste album Roll Up The Night Sky. Bij de eerste beluistering moest ik diep in
mijn geheugen graven. Aan welke artiest herinnerde Dana Sipos mij ook alweer? Juist,
aan Danielle Doyle. De warm hese stem van beide dames kent enige overeenkomst.
Bij het bespreken van Doyle’s The Cartographer’s Wife werd geheel
terecht een link naar de stem van o.a. Natalie Merchant gelegd. In tweede
instantie moest ook ik bij het ondergaan van Roll Up The Night Sky aan het werk van deze voormalige 10.000
Maniacs frontvrouw denken.
Het
werk van artiesten afkomstig uit landen met een indrukwekkende natuur wordt niet
zelden in hoge mate mede daardoor bepaald. Ook Sipos weeft de nodige smaakvolle
impressies uit het Canadese landschap door haar teksten. Het geluidsbeeld wordt
naast haar fraaie stem ingevuld door o.a. gitaar, bouzouki, staande bas,
mandoline, banjo, piano en omfloerst gespeelde percussie, strijkers en blazers.
Roll Up The Night
Sky
opent met het eenvoudig vormgegeven Old
Sins waarna Dana Sipos het album langzaam maar zeker in al zijn variëteit
opbouwt. Het opgeruimd klinkende My
Beloved is van een welhaast jubelende tekst voorzien. Gecombineerd met de
vrolijke melodie doet het wel wat aan het werk van de al eerder genoemde jonge Natalie
Merchant denken. Het stuk is geïnspireerd op het Hooglied, afkomstig uit het
Oude Testament. Met het in dromerige melancholie gedrenkte Portraits slaat het album juist richting bedachtzame schoonheid in.
Sipos bezingt hier het enigszins onrustige gevoel dat
je krijgt wanneer je een wandeling door een oud huis maakt waarbij alle portretten
naar je lijken te kijken.In diezelfde categorie is het innemende Road To Michigan te plaatsen. Omfloerste
drums en strijkers doen ook hier hun werk. Met het wederom van een fraaie
melodielijn voorziene Holy People en A Coronary Tale stuurt Dana Sips
vervolgens het album een andere kant op. Het in Oosterse sfeer badende Full Moon Sinners sluit het album af.
Met
Roll Up The Night Sky brengt Dana
Sipos een album waarop werkelijk alles bijzonder fraai afgewogen en wonderwel bij
elkaar passend klinkt. Dit ingetogen en volstrekt naturelle album verdient
zondermeer de onverdeelde aandacht van iedereen die folk georiënteerde muziek
aan het hart drukt.
Onder de titel Welcome Joy and Welcome Sorrow, geïnspireerd op een gedicht van John Keats, presenteerde het uit Bristol afkomstige kwartet Spiro onlangs het nieuwe album. Men heeft zich door de jaren heen in experimentele, door folk beïnvloede akoestische muziek gespecialiseerd. Het kwartet bestaat uit Jane Harbour (viool), Alex Vann (mandoline), Jason Sparks (piano, accordeon) en John Hunt (gitaar, cello). Het gezelschap heeft een diverse achtergrond. De leden waren in het verleden zowel binnen de post punk, folk als klassieke muziek actief. Binnen hun werk spelen repeterende patronen een grote rol. De link naar de minimal music van bijvoorbeeld Steve Reich en Phillip Glass is dan ook snel gelegd. Een verwijzing naar min of meer vergelijkbare bands als Pinguin Cafe Orchestra of Arlet ligt tevens voor de hand. De zich herhalende muzikale patronen bewegen op Welcome Joy and Welcome Sorrow langs elkaar als wolken aan de hemel.
Het album kent met I Am The Blaze On Every Hill een vliegende start, waarbij de viool van Harbour het initiatief neemt. Van het vervolgens welhaast jubelend klinkende Blythe High Light kan ik maar geen genoeg krijgen. De instrumentale muziek doet duidelijk een beroep op de verbeeldingskracht. Het euforische beeld van een plotse zonsdoorbraak met op de achtergrond een inktzwarte hemel laat mij niet meer los. Met beeldende titels als Flying In The Hours Of Darkness en Folded In The Arms Of The World doet men ook zelf een stevige duit in het zakje. Met het energieke Burning Bridges laat het gezelschap zich, net als op de rest van het album, als ware waaghalzen kennen. De prachtige door accordeon gespeelde melodie wordt vergezeld van repeterende patronen die de luisteraar als in een woeste maalstroom meesleurt. Het beweeglijke One Train May Hide Another mag zich tevens tot mijn favoriete stukken rekenen.
Naast dynamiek is er op Welcome Joy and Welcome Sorrowruimte voor fraai ingetogen stukken als Thought Fox en The Still Point Of The Turning World. De langzame maar zekere bewegingen van de planeten, zoals deze in een planetarium zijn te zien, inspireerde tot het even sierlijke als serene Orrery.
Spiro brengt met Welcome Joy and Welcome Sorrow een album vol met de uiterst levendige muziek. Men maakt hierbij meesterlijk gebruik van dynamiek, licht en donker. De nauwgezet opgebouwde stukken zijn zonder uitzondering schitterend gespeeld.
Een paar weken geleden verscheen van de Schotse Inge Thomson het bijzonder fraaie album Da Fishing Hands.
Thomson woont op het afgelegen Schotse Fair Isle. Het
eiland ligt tussen Shetland en de Orkney-eilanden. Het bekijken van kaarten die
de plaatselijke visgronden in beeld brengen inspireerde Thomson bij het tot
stand komen van haar nieuwe album Da
Fishing Hands (De Visgronden). Het deed haar beseffen dat deze kaarten voor
de eilandbewoners van grote culturele betekenis zijn en hoe de veranderingen in
het milieu (o.a. overbevissing) van invloed zijn op alle aspecten van het leven
op het eiland. Met haar nicht Lise Sinclair werkte zij aan het project. Helaas
overleed Sinclair voordat het project was afgerond. Samen met de musici Sarah
Hayes (fluit en zang), Fraser Fifield (saxofoon, fluit en kaval), Steven
Polwart(gitaar en zang), Graeme Smillie (bas) nam zij het album in één lange
sessie op.
De
BBC Folk Awards 2015 zijn gisteravond uitgereikt aan o.a. onderstaande
artiesten. Eigenwijs als ik ben vermeld ik tevens mijn eigen keuze. Duo. Josienne
Clarke & Ben Walker.
Ruim vijf jaar geleden ontdekte ik via My Space de bijzondere
stem van Olivia Chaney. Meteen werd ik hongerig naar werk van haar hand. De
afgelopen jaren werden mij kleine brokjes van haar werk gevoerd door middel van
het Oak Ash Thorn project waarop
Chaney samen met artiesten als Fay Hield, The Unthanks en Sam Lee te horen was.
Het eveneens uit 2011 stammende album Revenge
Of The Folk Singers bevatte werk van haar hand. Hier werkt ze samen met
o.a. Alasdair Roberts, Mairi Campbell en Jim Moray. Drie jaar geleden werd mijn
geduld met de komst van de titelloze EP gedeeltelijk beloond. Onlangs kwam aan
het lange wachten een eind en werd het debuut The Longest River mij eindelijk in de schoot geworpen.
Olivia Chaney werd in 1982 in Florence geboren. Ze groeide
op in Oxford, Engeland en studeerde muziek (compositie, piano, cello en zang). Vroege
invloeden zijn o.a. blues en folk songwriters afkomstig uit de muziekcollectie
van haar vader. Artiesten als Bob Dylan, Fairport Convention en Bert Jansch
speelden al op jeugdige leeftijd een rol in haar leven. Aanvankelijk richtte
Chaney zich tijdens haar studie op het klassieke repertoire, later verdiepte
zij zich in de jazz. Tevens leerde zij zichzelf gitaar en harmonium spelen. Wat
mij een paar jaar geleden meteen trof was haar prachtige stem. Met haar door en
door Engels klinkende stem brengt ze haar werk kalm en soeverein. Ik verwachtte
dat het Engelse Topic label haar direct zou inlijven. Oliva Chaney koos echter
voor het Amerikaanse Nonesuch. Wat carrière perspectieven betreft wellicht een
verstandige keuze.
Samen met producer Leo Adams, (o.a. David Byrne, Brian
Eno en de Smoke Fairies), nam Olivia Chaney haar debuutalbum The Longest River op. Het album is een fascinerende
mix van traditionals, covers, zelfgeschreven werk en een enkel klassiek stuk.
Het album opent met het ooit door Cecil Sharp opgedoken False Bride. Stem, akoestische gitaar en een mooi klein gehouden
strijkersarrangement bepalen het geluidsbeeld. Even verderop voert ze het van
harmonium vergezelde Waxwing van
collega Alasdair Roberts uit. Ook het door de Chileense Violeta Parra
geschreven La Jardinera vindt
inclusief fraaie Spaanse gitaar een plek op het album. Verder vraagt Olivia
Chaney door middel van Henry Purcells There
Is No Swain aandacht voor de klassieke muziek. Haar jazz achtergrond
schemert volop door met Blessed Instant. Binnen
dit door de Noorse vocalist Sidsel Andresen geschreven stuk schittert de stem
van Olivia Chaney in al zijn facetten. Deze dame kan alles.
Olivia Chaney laat met haar
zelfgeschreven werk zonder enige terughoudendheid de invloed van Joni Mitchell
naar de oppervlakte drijven. Net als Mitchell heeft Chaney het hart op de tong.
Zonder schroom laat ze de luisteraar via haar teksten delen in haar
persoonlijke ervaringen en twijfels. Alles op dit album is erop gericht om de
emoties zo direct mogelijk op de luisteraar over te brengen. Zonder
uitzondering ontroeren de zelfgeschreven stukken en troosten deze tegelijkertijd.
Met het kippenvel verwekkende Holiday verwoordt
Chaney het onbedoeld zelf het beste: “She’s
a Goddes, she calms you down.”
Olivia Chaney presenteert zich met The Longest River als één van de
belangrijkste talenten van de Britse folk. Deze vrouw groeit toekomstig uit tot
één van de echt grote artiesten.