"All music is folk music. I ain't never heard no horse sing a song" Louis Armstrong

maandag 30 april 2012

Julie Murphy, A Quiet House.


Julie Murphy, A Quiet House.

Vroeg of laat krijgen alle ouders ermee te maken: de kinderen verlaten het huis en vliegen uit. Er is een passende term voor bedacht: het lege nest syndroom. Acteur Peter Blok grapte onlangs in een interview: “Het is alsof mijn vrouw en ik opnieuw verkering hebben gekregen. We hebben nu thuis ook veel meer ruimte dan toen wij beiden begonnen”. Julie Murphy bezingt het lege nest syndroom op haar nieuwste album A Quiet House. De huiskamer is inmiddels minder druk bevolkt, hier werd dan ook het materiaal voor Murphy’s derde solo album geschreven, opgenomen en onlangs met een live-stream aan het publiek gepresenteerd.

Julie Murphy, al jaren woonachtig in Wales, is helaas slechts bij een klein publiek bekend.
Zij is voorvrouw van de folkformatie Fernhill waarmee zij reeds een trits prachtige albums maakte. Daarnaast bracht zij twee solo-albums uit, beiden tot de nok gevuld met werk van onverbiddelijke pracht. Haar voortreffelijke stem is krachtig en zacht tegelijkertijd en veruit haar belangrijkste troef. Binnen haar werk tast zij volop de grenzen van haar stem af waarbij het vibrato stevig op het gemoed werkt en hiermee een extra laag aanbrengt. Murphy’s werk heeft op mij een vergelijkbare impact als dat van Sandy Denny, June Tabor en Niamh Parsons.

Julie Murphy liet zich bij het tot stand komen van A Quiet House inspireren door zowel de schilderijen van Chagall als het werk van minimal music componist Steve Reich. Naast Murphy’s stem en piano zijn de trombone en de harp van Ceri Owen Jones te horen, Jens Schroeder legde het geheel vast. Binnen deze bescheiden opzet schittert de stem van Julie Murphy als vrijwel nooit te voren.

A Quiet House opent en eindigt met een instrumentaal piano stuk toepasselijk Piano Abstract en Piano Lyrical getiteld. Een repetitieve en hamerende piano eist meteen de aandacht van de luisteraar op. Aan het eind van het album wordt diezelfde luisteraar de gelegenheid geboden om al mijmerend van het gebodene te bekomen. Saillant detail: in de plotse overvloed van tijd en ruimte leerde Murphy zichzelf pas twee jaar geleden de piano te bespelen. De muzikale omlijsting op A Quiet House lijkt al improviserend tot stand gekomen te zijn. Julie beschrijft haar werk als “musical collages”. Piano patronen schuiven als wolken aan de hemel langs elkaar. De trombone lijkt soms een klein stukje de zangmelodie te volgen om vervolgens toch zijn eigen weg te gaan. Het geheel ademt de rust en gedragenheid van een klassieke recital uit welke alle aandacht voor zichzelf opeist.

Met zes langer uitgesponnen stukken vertelt Julie Murphy haar verhalen. Een plein in Italië met geliefden bij de fontein inspireerde Murphy tot het schrijven van The Fountain. Het stuk wordt doorsneden met een gedeclameerd fragment van de Italiaanse poëet Francesco Petrarca en een flard van een anoniem 16e eeuws gedicht uit Wales. De opgedane ervaringen omtrent haar zojuist uit het huis vertrokken 21 jarige zoon leidden tot You Are Flown From Me waarbij de trombone deze treurzang van de juiste ondertoon voorziet.

Dat Murphy zich betrokken weet bij de huidige maatschappelijke toestand in Engeland laat The Sugarspell horen en is hier vermomd als een grimmig sprookje. De bewondering voor het werk van Townes van Zandt spreidt Murphy ten toon door Kathleen vast te leggen. Townes’ verslag omtrent obsessieve liefde wordt slechts gedragen door harp en is wat mij betreft nu definitief vastgelegd.
Met Convoy eert zij haar vader nogmaals na ook het uit 2002 stammende album Lilac Tree aan hem opgedragen te hebben. Murphy schreef de muziek bij het gelijknamige gedicht van Charles Causley, een elegie voor een tijdens de tweede wereldoorlog gestorven zeeman. Zij doorsnijdt dit met fragmenten uit haar vaders dagboek eveneens zeeman in diezelfde periode.

Het autobiografisch getitelde Essex Song,  hier bracht zij haar jonge jaren door, klinkt als de plotselinge en verwarrende openbaring zoals deze door Murphy is bedoeld en mag tevens als hommage aan componist Vaughan Willams worden beschouwd. Voorafgaand aan A Quiet House presenteerde Julie Murphy in december 2011 de zogenaamde The Fall e.p. Deze e.p. is als download verkrijgbaar en net als het album in eigen beheer uitgegeven en slechts via haar website verkrijgbaar. De e.p. beslaat drie langere stukken waarop Andy Morse elektrische gitaar speelt, Tomos Williams de  trompet en Ceri Owens Jones bespeelt ook hier de harp.

The Fall e.p. en A Quiet House kunnen als één samenhangend kunstwerk worden gezien. Beiden getuigen van een peilloze diepte en mogen als een hoogtepunt binnen de muziekgeschiedenis van deze nog jonge eeuw worden beschouwd.

Hans Jansen

Website http://homepage.mac.com/juliemurphymusic/juliemurphy/
Releasedatum, 16 april 2012, Self Release



 

zondag 29 april 2012

Josienne Clarke & Ben Walker, The Seas Are Deep


Josienne Clarke & Ben Walker, The Seas Are Deep

Sinds een paar jaar is mijn interesse in folkmuziek afkomstig van de Britse eilanden in alle  hevigheid toegenomen. Tegelijkertijd is er sprake van een heuse folkrevival aan de overzijde van Het Kanaal. Nu zullen deze zaken niets met elkaar te maken hebben maar ik prijs mijzelf gelukkig met zoveel jong en nieuw talent. Eén van deze jonge talenten is Jossienne Clarke. Deze uit Sussex afkomstige jongedame debuteerde vorig jaar met het album One Light Is Gone. Clarke maakt momenteel furore in de huidig Britse folkscene waar ook jonge talenten als Lucy Ward, Kirsty Bromley en Christine Cooper van zich laten horen.

Josienne’s stem is klassiek geschoold, krachtig, hoog en zuiver. Zij liet zich op haar debuut ondersteunen door gitarist Ben Walker. Hij speelt in de traditie van o.a. Bert Jansch en Martin Simpson en was tevens verantwoordelijk voor de bijzondere arrangementen. Het album greep terug naar het Britse folkgeluid van eind jaren zestig, begin jaren zeventig van illustere voorgangsters als Shelagh McDonald, Anne Briggs en Sandy Denny. Onlangs liet Josienne in een interview vallen door Joan Baez geïnspireerd te zijn. Haar hoge en indringende stem kent inderdaad overeenkomsten met de enigszins plechtstatige voordracht van Baez.

Blijkbaar zagen doorgewinterde folkies vorig jaar toch nog enige ruimte voor verbetering. Hoewel het album terecht alom geprezen werd was er toch ook kritiek: het album kende namelijk geen enkele traditional. In sommige kringen zal dit gelijk staan aan vloeken in de kerk. Om aan deze kritiek tegemoet te komen stelden Josienne Clarke & Ben Walker het aanvankelijk slechts als download beschikbare album The Seas Are Deep samen. Ditmaal prijken beider namen op het fraai naïeve hoesje waarbij men het niet laten kan op te merken: “Dit zijn een paar van onze favoriete folksongs. Baarden zijn optioneel maar het dragen van al dan niet zelfgebreide vestjes wordt op prijs gesteld”.

Ook op The Seas Are Deep staat, naast Clarke’s onderscheidende stem, het gracieuze akoestische gitaarspel van Ben Walker centraal. Incidenteel wordt de cello van Jo Silverston ingezet naast blokfluit en percussie. Met negen fraai getoonzette liederen stellen beiden hier alsnog de kritische achterban tevreden.

Het album opent met Silver Dagger waarmee Clarke meteen terug lijkt te willen grijpen naar de uitvoering van de in 1960 nog zeer jonge Joan Baez. Gedragen cello en subtiele percussie openen Hares On The Mountain waarmee o.a. ook Shirley Collins in het verleden eer in legde. Op het stemmige Lily Of The West duetteert Clarke met zichzelf en wordt de blokfluit geïntroduceerd. Aan dit instrument heb ik wellicht net als velen niet al te beste jeugdherinneringen maar hier klinkt het zeer op zijn plaats. De van oorsprong Schotse avonturier en vooraanstaand figuur binnen een vorige folkrevival Owan Hand schreef My Donal ook wel bekend onder de titel Home Of The Whale. ’s Mans avonturen gedurende de walvisjacht worden hier ingetogen gebracht en vergezeld van een eenzame gitaar.

Het overbekende Black Is The Colour mag natuurlijk niet ontbreken, opvallend is dat men hier juist ritme en dynamiek toevoegd. Voordat Ben Walker zijn instrumentatie van The Seas Are Deep ten gehore brengt wacht het door gitaar en cello gedomineerde John Riley hier in een ruim opgezette versie. Stem en gitaar volstaan vervolgens om zowel Rain And Snow als afsluiter Reynardine voor het voetlicht te brengen. Laatsgenoemde is het meest bekend van het baanbrekende folkrock album Liege And Lief van Fairport Convention maar hier lijkt toch veeleer de versie van Anne Briggs model te hebben gestaan.

Met het kleinschalige The Seas Are Deep brengen Josienne Clarke & Ben Walker een subtiel en goed samengesteld album. Het is minstens zo boeiend als voorganger One Light Is Gone en voor een luttel bedrag via de website te koop.


Hans Jansen.

Releasedatum 25 april 2012 Self Release.
 

vrijdag 20 april 2012

Garron Frith, Away From The Brightlights.


Garron Frith, Away From The Brightlights.

Voor sommige artiesten is het tweede album een bezoeking, het spreekwoordelijk moeilijke tweede album inderdaad. Om zichzelf optimaal uit te drukken zijn voor het tot stand komen van het debuutalbum doorgaans jaren van oefenen en voorbereiding beschikbaar. Voor het tweede album kan men zich voor de nodige druk geplaatst zien om in korte tijd met een opvolger te komen. Niet willen onderdoen voor het debuut of dit zelfs overtreffen zal dan de nodige spanning teweeg brengen. Engelsman Garron Frith, afkomstig uit Manchester, lijkt niet op zijn minst door dit ongemak getroffen te worden. Zijn titelloze debuut uit 2007 was een goede kennismaking met zijn gloedvolle stem binnen divers gestemd materiaal. Hij werd hierbij geholpen door leden van o.a. Lambchop, The Willard Grant Conspiracy en Green On Reds Chuck Prophet. Zijn allernieuwste album Away From The Brightlights laat flinke stappen voorwaarts horen en kent meer focus. Wellicht dat optredens in de afgelopen jaren met Peter Green, Madeleine Peyroux, Jack Bruce en Robert Cray de zaak verder op scherp hebben gezet.

Ook Away From The Brightlights is, net als zijn voorganger, productioneel in de verf gezet door Simon J.Alpin bekend van o.a. zijn werk met en voor het al eerder genoemde The Willard Grant Conspiracy. Naast de productie neemt Alpin mandoline, elektrische gitaar en lap steel voor zijn rekening. Verdere ondersteuning wordt aangeleverd door Simon Edwards (Fairground Attraction) op bas, Nick Simms (Cornershop) drums, Dennis Cronin (Lambchop) trompet en Seymour Milton op toetsen. Garron Frith neemt (slide) gitaar, bas, banjo, mondharmonica en ritmisch voetengestamp voor zijn rekening. Het voornaamste wapen in de strijd is echter zijn ruw hese en goed gedoseerde stem. Deze schuurt aangenaam als warm zomerzand en is net iets lichter van toon dan Ray Lamontagne’s stem en lonkt her en der naar die van Ryan Adams. Garron Frith is hier echter geheel “his own man” binnen het van folk, blues en gospel doordrenkte werk. Het album straalt tevens een aangenaam jaren zeventig gevoel uit.

Met tien songs completeert Frith zijn allernieuwste waarbij hij met beide eerste songs het album welhaast in spiegelbeeld opent. Beiden laten twee kanten van dezelfde medaille horen. Een langzaam voorbij trekkende trein vergezeld van een Spaanse gitaar vormt de intro van Black Widow en plaatst het geheel met o.a. een eenzame trompet in een desolaat woestijnlandschap. Opvolger Not The Man tapt uit een geheel ander vaatje. Een lap steel, stuwend ritme en vette toetsen zetten hier het gospelkoortje van Connie “Anite” Abbe volop in het licht tijdens het langdurige outtro. Dat Frith ook in zijn eentje boeit laat hij meteen daarna in folk blues Pretty Penny horen. Hij heeft ruimschoots genoeg aan harmonica, vocalen en voetengestamp om het hart van deze Ry Cooder liefhebber te laten open bloeien.

Zoals al eerder opgemerkt laat Away From The Brightlights een opmerkelijke focus horen zodat er werkelijk geen enkele zwakke broeder op dit album is aan te wijzen. Nu schat ik het werk van zowel Ray Lamontagne als Ryan Adams op waarde maar moet het mij van het hart dat beiden de laatste jaren juist focus. Het grillige karakter van Adams was hierbij tevens niet behulpvol te noemen. Frith laat op This One soulvolle warmte horen vergezeld van warme viool, Lamontagne zou zich hier zeker niet voor schamen. Liefhebbers van Adams zouden eens naar Frith’s RocknRoll Band moeten luisteren, zo fris en melodieus schudde de man ze in zijn beginjaren (Heartbreaker, Gold) aan de lopende band uit de mouw. Het tekent Frith dat hij, om zijn nieuwe album te promoten, juist een eenvoudige song als single kiest. Garron Frith zet slechts (slide) gitaar en stem in om het ijzersterke Little Bird voor het voetlicht te brengen. Hiermee vertrouwt hij wat mij betreft geheel terecht op zijn talent. Rest mij nog te zeggen dat de tweede helft van het album zich naadloos aan de eerste helft spiegelt. Hoogtepunten zijn o.a. het frisse en gedreven Good Thing met zijn prachtige orgelpartij en het stuwende Old Habits met zijn fraaie piano en waarin de gevoelstemperatuur van Frith’s stem danig oploopt. Met afsluiter Rolling The Dice sluit Frith het album af. Dit is pure en hartstochtelijke gospel waarin Garron Frith na alle beproevingen smeekt: “Let me be saved here tonight”.

Met Away From The Bright Lights laat Garron Frith zich, binnen een grote diversiteit aan stijlen en met sterke en goed geschreven nummers, kennen als een zeer getalenteerde artiest. Onmisbaar voor hen die van hun hart geen steen wensen te maken.

Hans Jansen

Website, http://www.garronfrith.co.uk/
Releasedatum, 16 april 2012, Skiffler Recordings

 

 

zaterdag 31 maart 2012

Nels Andrews, Scrimshaw


Nels Andrews, Scrimshaw

In 2004 debuteerde Nels Andrews  met zijn album Sunday Shoes. Een album propvol sterke liedjes voorzien van kop en staart waarin regelmatig een warme woestijnwind leek te waaien. Drie jaar later kwam Andrews met opvolger Off Track Betting op de proppen. Ditmaal in een productie van multi-instrumentalistTodd Sickafoose. Sonische randjes bestaande uit o.a. het wine glass orchestra versierden het geheel. Tegelijkertijd onttrokken ze soms het zicht op songs die eerlijk gezegd niet allemaal even sterk uit de verf kwamen. Nu vijf jaar later presenteert Andrews zijn derde album Scrimshaw.

De productie is wederom in handen van Sickafoose en het album telt grotendeels dezelfde bezetting als zijn voorganger. Gelukkig is ook snarenwonder Brandon Seabrook wederom van de partij op banjo, mandoline en akoestische gitaar. Tijdens live concerten maakte hij de nodige indruk met zijn bijzonder geïnspireerde en licht excentrieke snarenspel.

Live optredens van Nels Andrews zijn een loterij. Soms is hij zeer op dreef en ervaar ik zijn concerten als magisch dan weer werkt Andrews zijn optreden welhaast plichtmatig af. Zo zag ik hem en zijn maatje Seabrook eens in Lage Vuursche op de top van zijn kunnen. Tijdens Take Root stond Andrews met zijn band in Groningen de set zonder vuur afwerken. Een artiest als Andrews in de aankomsthal programmeren grenst wat mij betreft ook aan een regelrechte belediging. In dezelfde hal waar het geachte publiek de voeten afveegt en de jas ophangt kan vrijwel niemand tot zijn recht komen.

Op Scrimshaw wordt de vaste kern van muzikanten aangevuld met o.a. Savannah Jo Lack op viool en de vocalen en fluit van Nuala Kennedy. Verder vallen meteen de fraai uitgewerkte koortjes op waarin o.a. Anthony Da Costa en de door mij zeer bewonderde Raina Rose de scepter zwaaien. Een eenzaam en zachtjes huilende pedal steel versterkt de steevast licht melancholische ondertoon waarin Andrews zo excelleert.

Walvisjagers waren in vroeger tijden soms jaren achtereen onderweg om de buit te verschalken. Soms duurde het weken voordat zich een walvis liet zien. Opvarenden hadden op hun lange zee-reizen veel vrije tijd die men vulde met het maken van zelfvlijtproducten voor eigen gebruik of om een kleine bijverdienste te hebben. Scrimshaw werd gemaakt van tanden van zeezoogdieren zoals potvissen en walrussen die in een naïeve stijl gegraveerd werden met scheepsverhalen, versjes, boodschappen of tekeningen. Andrews liet zich bij het tot stand komen van zijn nieuwste album door dit gegeven inspireren. Hier graveert Andrews op geheel eigen wijze zijn verhalen, ditmaal in een plastic schijfje.

Nels Andrews brengt op Scrimshaw meeslepende ballades als Tridents, Small Victories en afsluiter Wisteria. Ook is er up-tempo werk als Starboard te horen en voorzien van een strak spelende ritme-sectie en sterke melodie. Andrews voorzag het door WB Yeats geschreven gedicht Three Hermits van muziek waarbij Brandon Seabrook schittert op springerige snaren. Verder leeft Andrews zich uit in een aantal bijzonder sterke en lang uitgesponnen stukken als Barroom Bards. Hier regeren mandoline en een gemeen krassende gitaar schijnbaar rechtstreeks afkomstig uit een spaghetti western spelend in het gebied tussen Californië en Mexico. De Barroom Bards worden uitgebreid uitgeluid  door het fameuze “Chorus Choir”. Met Lost Year (Off Track Betting), Andrews kan het niet laten met werkelijk elk album ook weer naar zijn eigen werk te verwijzen, levert Nels nogmaals een huzarenstukje af. Ditmaal gedragen door een fraai strijkersarrangement en in het oor springende percussie gevolgd door een fraai coda.

Op Scrimshaw combineert Nels Andrews zijn vakmanschap met zin voor goed gedoseerd avontuur en overtreft hiermee zichzelf ruimschoots.

Hans Jansen

Website http://www.nelsandrews.com
Releasedatum, 6 maart 2012, Self Release. 

dinsdag 13 maart 2012

Miranda Sykes & Rex Preston


Miranda Sykes & Rex Preston

Miranda Sykes is ruim 8 jaar lid van het in Engeland zeer populaire Show of Hands en bespeelt de contrabas. Daarnaast produceerde zij tot op heden drie verdienstelijke solo-albums. Rex Preston figureert prominent in de kleine Britse blue-grass scene en bespeelt ruim 20 jaar de mandoline, de laatste jaren binnen The Scoville Units. Wanneer Miranda 3 jaar geleden een gastoptreden binnen The Scovillle Units verzorgt, vinden beiden elkaar in zowel muzikaal als in relationeel opzicht. Een serie gezamenlijke optredens doet de vraag naar een duo-album toenemen.

De ongebruikelijke combinatie van het diepe contrabas geluid en de veelzijdig inzetbare mandoline vergezeld van vocalen blijkt wonderwel te werken. Beiden voelen zich aangetrokken tot hedendaagse songs waarin niet zelden een jazzy ondertoon te beluisteren is. Het titelloze debuutalbum van dit duo laat horen dat de talenten van beiden in deze muzikale habitat hier volop tot wasdom komen.
Gezamenlijk selecteerde men een aantal bijzondere covers vergezeld van een incidentele traditional en een zelfgeschreven instrumental. Rex Preston ontfermt zich over de productie hierbij geholpen door Joe Rusby. Preston covert Love Is Not A Flower (Ryan Roberts) en brengt verder de traditional A Kiss In The Morning Early evenals de sierlijke instrumental 4AM.

Het leeuwendeel van de vocalen op dit debuut worden echter door Sykes gebracht. Zij blijkt over een warme, krachtige en heldere stem te beschikken waarmee zij ook probleemloos hoger gelegen gebieden weet te bereiken. Het album opent met de weergaloze cover Old Man Times (Kate Rusby). Het opgeschroefde tempo en Miranda’s vocale inzet blaast hierbij het stof van het origineel. Opvolger Only One Way (Karine Polwart) weet volop te profiteren van de kleine bezetting en wint hierdoor aan kracht.

Peter Bradley Adams mag zich tweemaal in de belangstelling van het duo koesteren. Zijn So Are You To Me en ook de verstilde ballade I Tell Myself wordt hier gebracht. Als onverbeterlijk liefhebber van dergelijke verstilling ervaar ik dit als één van de hoogtepunten  maar laat ik niet op de zaken vooruit lopen. Preston’s vroegere studie electronische muziek leidde wellicht tot de keuze om Between Sheets van Imogen Heap te coveren en is hier in feërieke vocalen gedrenkt. Meer aardse sferen worden in het jazzy Sweet Pea / Mean To Me (Amos Lee/ Roy Turk & Fred E. Ahlert) aangeboord. Met Trouble (Over The Rhine’s Karin Bergquist) voegen beiden een snufje swing toe.

In vocaal opzicht dicht ik Sykes het nodige toe, zoveel mag inmiddels wel duidelijk zijn. De angstwekkende intensiteit van Patty Griffin streeft zij gelukkig niet na in het fraai gebrachte Rain. En wat staat “gewoon heel erg mooi” dit lied hier goed zonder afbreuk aan het origineel te doen. Afsluiter One Good Year (Slaid Cleaves/ Steve Brooks) vormt het voorbeeldige slotstuk van dit al even voorbeeldige debuutalbum. In eenvoud schuilt kracht.


Hans Jansen

Website, http://www.sykespreston.com/
Releasedatum, 20 februari 2012, Hands On Music

 

donderdag 16 februari 2012

Dave McGraw & Mandy Fer, Seed Of A Pine


Dave McGraw & Mandy Fer, Seed Of A Pine

Soms is het geheel meer dan de som der delen. Een bijzonder fraai staaltje van synergie laten Dave McGraw en Mandy Fer op hun allereerste duo-album Seed Of Pine getiteld horen. Dave McGraw leverde in het verleden een aantal niet meer dan als verdienstelijk te beschouwen solo albums af. Mandy Ferrarini debuteerde in 2010 met het album The Other Side een album exclusief bevolkt met haar stem en gitaar. Kale folksongs in de traditie van o.a. Ani Difranco gebracht.

In de zomer van 2011 combineerden beiden hun niet geringe kwaliteiten onder productionele begeleiding van Zach Goheen in de Minbal Studio te Chicago. Goheen heeft eerder bemoeienis gehad met de albums van bijvoorbeeld Po’Girl, Cass McCombs en J.T.  Nero. Hier resulteert deze samenwerking, met inbreng van o.a. Po’ Girl Allison Russell, Peter Mulvey en JT Nero, in een album vol fijnzinnige en meestal ingetogen folksongs van de bovenste plank.

Het hele album straalt een warme en rustgevende sfeer uit waarbij de nadruk ligt op de volle akoestische klank van de instrumenten en welhaast perfecte samenzang. Het geheel wordt incidenteel doorsneden door een opvallend fraaie elektrische gitaar van multi-instrumentaliste Mandy Fer. Seed Of A Pine is opgetrokken uit elf zelfgeschreven songs. Deze worden doorgaans beurtelings door beiden gebracht en voorzien van onderscheidende arrangementen. Hierbij moet ook het volstrekt naturelle drumwerk van Andrew Lauher genoemd worden. Niet zelden gaan hierbij mijn gedachten uit naar het vergelijkbare drumwerk van Billy Conway. Verder levert Nora Barton stuwend en dan weer sonoor klinkend cello werk aan. Christopher Merrrill bespeelt staande en elektrische bas, Jared Rabin de viool.

Seed Of A Pine bewoont inmiddels ruim een maand mijn cd speler en vergezelde hierbij tot mijn genoegen mijn woon-werkverkeer. Na herhaalde beluistering associeer ik de stem van McGraw meer en meer met die van Jeffrey Foucault. Zowel klankkleur als frasering kennen de nodige overeenkomsten. McGraw en Fer verzorgden in het recente verleden reeds het voorprogramma van Foucault. Mandy Fer’s vocalen doen mij onwillekeurig denken aan die van Norah Jones. Hierbij moet aangetekend worden dat Fer met haar warm hese en ontspannen stem veel meer articuleert en en ook aardser klinkt dan haar beroemde collega.

Peter Mulvey levert naast achtergrondvocalen een kalme en weinig opvallende elektrische gitaarpartij aan op Golden Grey. Het leeuwendeel van de instrumentatie en prominente gitaarpartijen worden door Mandy Fer aangeleverd. Zo kent het zich meteen in je gehoor vastbijtende Serotiny een donker getoonzette en onweerstaanbaar dwingende riff die je regelrecht de song intrekt. De, ondanks haar getroubleerde achtergrond, immer sprankelende Allison Russell voorziet opener So Comes The Day, het al eerder genoemde Serotony en ook Forget The Diamonds van haar gloedvolle achtergrondvocalen. Dat de stemmen van McGraw en Fer bijzonder goed harmoniëren laat het met Spaanse accenten voorziene Comin’ Down horen. Fer voorziet dit eigenhandig van een ruwhouten twangende gitaarsolo die tegelijkertijd puntig klinkt. In het intimistische Grow zingen beide geliefden elkaar toe, een verre viool klinkt.

Dit indrukwekkende en poëtische folk album is subtiel doordrenkt met jazz, blues en gospel. Het kan door eenieder die ook het uit de onvolprezen Signature Sounds studio’s afkomstige werk doorgaans waardeert en een warm hart toedraagt blind aangeschaft worden.


Hans Jansen

Website, http://daveandmandymusic.com/
Releasedatum, 12 februari 2012, Self Release

 

vrijdag 10 februari 2012

O’Hooley & Tidow, The Fragile


O’Hooley & Tidow, The Fragile

Twee jaar geleden debuteerden Belinda O’Hooley en Heidi Tidow met het album Silent June. Een enigszins donker getint folkalbum waarop zowel de bijzonder fraai uitgewerkte piano- als de zangpartijen om voorrrang streden. Onlangs zag opvolger The Fragile het licht waarop niet slechts piano, zang en accordeon op de voorgrond staan maar nu vergezeld worden van prachtige strijkersarrangementen.

Belinda O’Hooley debuteerde in 2005 met het piano gedreven folk-jazz album Music Is My Silence en maakte deel uit van Rachel Unthank and the Winterset. Verder speelde zij samen met o.a. Nic Jones en Jackie Oates. In 2009 ontmoette zij Heidi Tidow. Beide uit Yorkshire afkomstige dames laten zich inspireren door o.a. Ierse traditionele muziek. Beiden zijn voorvechters van gelijke rechten voor homo’s en lesbiënnes en brengen hun albums zelfbewust uit via het coöperatieve No Masters label.Vorig jaar stuwden O’Hooley en Tidow met hun bijdragen het debuutalbum Adelphi Has To Fly van Lucy Ward tot grotere hoogtes.

Op The Fragile kiezen O’Hooley en Tidow voor kwetsbaarheid en ontroering als aangrijpingspunt voor hun emotionele liedjes steevast gebracht in kristalhelder harmoniërende zanglijnen. De verpakking van het album is bijzonder fraai vormgegeven waarbij het fraaie en naïeve artwork vertedering oproept. De hoesillustratie combineert beider fascinatie voor vogels (roodborstjes!) met de beeltenis van Heidi’s Duitse grootmoeder. Ouderen, leeftijd en verlies, het zal vaker als thema opduiken.

O’Hoolye en Tidow leveren met opener The Tallest Tree meteen hun visitekaartje af. Rollende percussie, stuwende piano en strijkers welke melodieuze kleur op de wangen aanbrengen. Beiden spelen op The Fragile met genoegen met verschillende rollen. Zo voert men Gentleman Jack op, een grootgrondbezitster in de 18e eeuw. Uitdagend en wellustig wordt er verhaald van deze Gentleman Jack of Jack the Lass. Zij hield gedetailleerde lijsten bij van haar seksuele veroveringen in code opgeschreven. Uiteraard werd de code later verbroken. Dit tot groot verdriet van echtgenoten vele kilometers in de omtrek...

Dat O’Hooley en Tidow zonder problemen op hun vocalen kunnen vertrouwen laat het a-cappella en eenstemmig gezongen Teardrop (Massive Attack) horen. Ter inspiratie diende Elizabeth Frazer’s (Cocteau Twins) versie. Piano, zang en de accordeon van Andy Cutting dragen het ingetogen Calling Me alvorens beiden overgaan tot één van de sleutelstukken Mein Deern. Het handelt over de laatste uren van Heidi’s grootmoeder en kent als hommage aan haar enige Duitse tekstregels. "Ze had de ambitie om een ​​performer te zijn en speelde accordeon. In de oorlog was zij verpleegster en eindigde uiteindelijk als moeder van een gezin”.

In het tweede steutelstuk  Ronnies Song breken O’Hooley en Tidow een lans voor de acceptatie van homo’s en lesbiënnes. Beiden hebben jammer genoeg onfortuinlijke ervaringen opgedaan waarbij zij helaas ook met fysiek geweld te maken kregen. De bezongen Ronnie wordt in het theater liefdevol onder de vleugels genomen door een aanwezige actrice. Het Diversity Choir luidt Ronnies Song uit met het credo: “A person is a person. It makes no odds to me”.
Een ode aan de geliefde kat in Madgie In The Summerlands sluit het album af. Vriendin en collega Jackie Oates neemt het voortouw in de vocalen. Fluitende vogels klinken, Madgie is in de kattenhemel ook wel The Summerlands genoemd.

The Fragile, een bijzonder fraai en harmonisch album vol verleidelijke arrangementen en roerende stemmen.

Hans Jansen.

Website,  http://ohooleyandtidow.com/
Releasedatum, 6 februari 2012,  No Masters Coöperative