"All music is folk music. I ain't never heard no horse sing a song" Louis Armstrong

zaterdag 2 juli 2011

Lucy Ward, Adelphi Has To Fly


Lucy Ward, Adelphi Has To Fly
De  geblondeerde lokken perfect gekapt vergezeld van zorgvuldig en tevens veelvuldig aangebrachte make-up.  De oppervlakkige observant vermoedt dat deze door Blondie geobserdeerde bakvis debuteert met het zoveelste pop-rock niemendalletje. Zelden confronteerde een beginnend artiest mij zo ongenadig met mijn eigen vooroordelen.
Lucy Ward brengt op haar debuutalbum Adelphi Has To Fly zowel traditionele, en door haarzelf bewerkte, Engelse folksongs als eigen geschreven werk in de traditie geworteld.  Deze 20 jarige jongedame uit Derby is gezegend met een heldere en direct aansprekende zangstem voorzien van een charmant accent. Nadat de pop-rock fascinatie uitgewoedt was en haar ouders een akoestische gitaar voor haar kochten groeide Lucy’s interesse in folk. “Mijn interesse is organisch gegroeid, folk-muziek viel langere tijd exclusief samen met Bob Dylan”. Later begon zij haar eigen liedjes te schrijven en werkte o.a. samen met Dave Swarbrick en Seth Lakeman. Zij is beïnvloed door “pretty much anyone who is able to deliver a song with true passion and sensitivity”.
Bij beluistering van Adelphi Has To Fly valt meteen de volstrekt naturelle productie van Stu Hanna (Megson) op. Nergens is er sprake van overdreven effectbejag op dit klein gehouden album. Hierbij is er ook veel werk gemaakt van de (achtergrond) koortjes. Concertina, gitaar, banjo, bas,  piano en mandoline. Meer heeft dit album verder niet nodig.

Lucy opent het album met de traditional The Fairy Boy, een eenzame piano en ijle trekzak maar vooral  haar eigen stem draagt deze song meteen overtuigend. Wat een manier om je visitekaartje af te geven, kwetsbaar en krachtig tegelijkertijd om zo op je eigen talent te vertrouwen. Het zelfgeschreven Alice In The Bacon Box kan zich probleemloos meten met welke hier gebrachte traditional dan ook. Lucy verhaalt van de in vervlogen tijden door  huurschulden geplaagde Alice. Ook al wordt zij, op straat gezet, aanvankelijk gered door “the kindness of strangers” uiteindelijk kan dit haar niet redden van het armenhuis.

Met de energiek en aanstekelijk gebrachte traditional Maids When You’re Young schroeft Ward het tempo aantrekkelijk op om vervolgens naadloos over te schakelen naar het ingetogen en indringende  Death (Rock Me To Sleep). Lucy baseert zich hier op de aan Anne Boleyn toegeschreven tekst. Boleyn, echtgenoot van Hendrik VIII. Beschuldigd van zowel overspel als incest en wegrottend in The Tower alvorens onthoofd te worden, “I feel my torment so increase that life cannot remain” De ritmisch bespeelde trekzak en banjo bepalen het schitterend opgebouwde The Two Sisters.
Het betwisten van de liefde van de molenaarszoon door beide zusters moet één van hen uiteindelijk met de smartelijke verdrinkingsdood bekopen. Uit haar borstbeen zal een fiddle gemaakt worden... Het drama van liefde en lust door de eeuwen heen ter lering ende vermaeck. Lucy strooit met eigen werk: titelnummer Adelphi een zachte gitaar en banjo gedreven ballade en F For Love ditmaal met piano en al even zacht-hese achtergrondvocalen.

De vorige week overleden Mike Waterson wordt hier geeërd met het a-capella gezongen en hilarische A Stitch In Time. Vrouwlief neemt wraak op haar geweldadige en drankzuchtige echtgenoot. Natuurlijk komen de oude vertrouwde koekenpan en ook de deegroller eraan te pas. Tevens wordt hier een geheel nieuwe betekenis aan de uitdrukking “in het pak genaaid worden” gegeven. Uiteraard heeft dit passende geweld een uitstekend resultaat tot gevolg. Lucy sluit af met het intieme Bricks And Love, soms rest ons na een verbroken relatie inderdaad niets anders dan een hoop stenen die wij ook wel (t)huis noemen en de liefde, ach de liefde...

Middenin de renaissance van de huidige Engelse folk debuteert Lucy Ward met het schitterende en zeer overtuigende Adelphi Has To Fly. Een droomstart!


Hans Jansen.

Website, http://www.lucywardsings.com/
Releasedatum 13 juni 2011 Navigator Records

 

maandag 27 juni 2011

Jill Andrews – The Mirror.


Jill Andrews – The Mirror.

Deze luisteraar is constant op zoek naar dwingende muziek. Waarlijk grote artiesten weten de luisteraar in een isolement te dringen waarna de artiest in kwestie maximale aandacht voor zijn werk weet af te dwingen. Jill Andrews wist dit in het recente verleden meermaals te realiseren.
Voorheen maakte Andrews deel uit van The Everybodyfields waarbinnen zij samen met Sam Quinn de scepter zwaaide. Haar prachtig heldere en troostende stem maakte diepe indruk in combinatie met de hartverscheurende samenzang met Quinn. Eerlijk gezegd had ik ruim voldoende aan de helft van het werk van The Everybodyfields aangezien het aandeel van Quinn mij maar matig kon boeien.

In 2009 leek Andrews definitief haar stem als solo artiest gevonden te hebben met haar naamloze debuut e.p. vol met kleinschalige donkere,  stemmige maar ook opbeurende country-folk. Inmiddels heeft zij haar debuutalbum The Mirror het licht laten zien. Ze hoopt  hierbij de luisteraar deelgenoot te maken van haar tocht van donkerte naar juist het licht in een periode waarin ze afscheid nam van een getroubleerde relatie.  Kies je ervoor om in de schaduw te blijven of om in het licht te stappen? Nu Andrews een nieuwe geliefde gevonden heeft en ook moeder geworden is lijkt er veel om dankbaar voor te zijn en dit hier te vieren. Andrews wil het spel van licht en donker met raffinement spelen. Herhaaldelijke beluistering van het album leert dat Andrews hierin slechts gedeeltelijk slaagt.

Opener Sound Of The Bells zet meteen de toon, het ritme tikt net iets te gemakkelijk weg. De gitaarlijn kiest eenzelfde weg en de koortjes blijken vooral uit gemakzuchtige echo’s te bestaan in plaats van gloedvolle samenzang. Iets dergelijks vindt in het kwadraat plaats binnen Blue Sky en titelnummer The Mirror. Muzikale diepgang wordt hier vergeefs gezocht. Afsluiter You lijkt aanvankelijk een fraaie opbouw te kennen met zijn fraai tikkende piano maar gaat uiteindelijk ten onder aan een volledig misplaatste gitaarsolo precies op maat gesneden voor de grote rock-arena’s. Jammer, heel jammer hoe een groot talent als Andrews hier met de voet volop het gas genadeloos uit de bocht vliegt.

Deugt er dan helemaal niets aan The Mirror? Laat ik zeggen dat dit als debuutalbum vermomde e.p. zeer genietbaar is. Wake Up Nico laat een piano gedreven gloedvolle song horen waarbij ik de Enya connotaties liefdevol over het hoofd zie. Wanneer Andrews daadwerkelijk gas terugneemt blijkt ze toch echt op haar best te zijn als in Sinking Ship en Blue Eyes waarin een akoestische gitaar de boventoon voert en waarin Andrews een beroep doet op haar niet geringe vocale kunnen. Cut And Run en A Litte Less laten een terugkeer naar het beste van The Everybodyfields horen: krachtig, meeslepend en emotioneel werk.

Luchthartig en aanstekelijk. Het kan allemaal in Another Man.  Een vrolijke melodie, speelse piano en dito koortjes. Andrews was op zoek naar een dergelijke spanning: donkere teksten op vrolijke muziek. Ze zag hierbij de valkuil op het midden van de weg jammerlijk over het hoofd. Het leven in de greppel boeit doorgaans meer dan juist aldaar.


Hans Jansen

Releasedatum 7 juni 2011,Thirty Tigers.
Website http://www.jillandrews.com/

 

vrijdag 24 juni 2011

Rob Lutes & Rob MacDonald, Live


Rob Lutes & Rob MacDonald, Live

In het jaar 2006 was er als donderslag bij heldere hemel de Canadees Rob Lutes met zijn album Ride The Shadows. De man eindigde meteen torenhoog in mijn jaarlijst omringd door schoon volk als Jeffrey Foucault en Darrell Scott. In dat gezelschap hoort hij ook thuis: de allerbeste mannelijke singer songwriters afkomstig uit Noord Amerika.

Rob Lutes is gezegend met een onderscheidende ruw hese stem waarmee hij ook fluisterend de nodige indruk weet te maken en rechtstreeks op het hart mikt. Zijn werk is diep geworteld in de blues, liefhebbers van John Hiatt zijn goed geadviseerd hier hun oren aan te lenen. Chris Smither is van begin af aan van grote invloed evenals Bill Frissell. Lutes heeft zich inmiddels tot een finger pickin’ gitarist van formaat ontwikkeld.

In 2000 debuteert Lutes met het album Gravity in 2002, gevolgd door Middle Ground waarna in 2006 het al eerder genoemde Ride The Shadows uitkomt. In 2008 gevolgd door het her en der onderschatte Truth & Fiction. Begin 2009 was Lutes in Nederland. Hij raakte o.a. verzeild in de Hof van Wageningen, een plaatselijk non descript hotel en conferentieoord.  Blijkbaar was er nog een gaatje in de agenda in de reeks “Lazy Sunday Jazz”. Zichtbaar verdwaald beten ook twee oudere dames in plooirok en getooid met parelkettinkjes zich dapper door de sets van Rob Lutes en vaste maatje Rob MacDonald. Beiden vonden elkaar blindelings op het podium, een blik of een knik, meer had men niet nodig om te communiceren. Optimaal op elkaar ingespeeld zoals Richard Thompson en Danny Thompson jaren eerder in het Utrechtse Tivoli. De boomlange Lutes zong die middag de sterren van het deelplafond.

Na de reeks albums en de veelvuldige concerten ontstond de wens om de aldaar vertoonde niet geringe kunsten eens vast te leggen. Blijkbaar kwam deze vraag de afgelopen jaren van vele kanten. Het resultaat Live is sinds enige weken beschikbaar. De nadruk ligt hier op materiaal van Lutes meest recente albums. Persoonlijk vind ik het jammer dat er van één van mijn favoriete albums Middle Ground in het geheel geen materiaal vertegenwoordigd is. Zo blijft er altijd iets te wensen over.

Live, betreft een integrale weergave van een intiem concert opgenomen januari dit jaar. Lutes excelleert op gitaar en hartstochtelijke vocalen. Maatje MacDonald schittert op zijn Resophonic gitaar. Enkele songs worden opgesierd met de achtergrondvocalen van Jozy Fever en Claire Hayek. Dit alles in een mooi klein gehouden setting en voorzien van een kraakhelder geluid.

Persoonlijke favorieten als Throw Me From This Train, I Still Love You en Cold Canadian Road zijn ruimschoots vertegenwoordigd. Regelrechte verrassingen vormen het uitgesponnen Drop Down Baby van Sleepy John Estes waarop MacDonald schittert en het door Chris Whitley geschreven Phone Call From Leavonworth. Het van de Bee Gees afkomstige To Love Somebody weet hier zondermeer de show te stelen, wat een gloedvolle pracht! Dat Lutes wel weg weet met het werk van anderen wisten wij natuurlijk ook al van zijn prachtige Warren Zevon cover Mutineer van het Truth & Fiction album. Een nieuw en onbekend nummer hoort uiteraard ook thuis op een live album, hier vervult het up-beat en swingende Ain’t Nobody’s Bussiness deze rol. Het persoonlijke Drive These Blues Away sluit dit gedenkwaardige live album passend af.

Live, is wat mij betreft één van de meest geslaagde live-albums van de afgelopen jaren. Onmisbaar voor Rob Lutes liefhebbers of zij die daartoe zouden willen behoren.


Hans Jansen

Releasedatum, 31 mei 2011 Magramultimedia
 

woensdag 18 mei 2011

Wendy Arrowsmith - Life, Love & Chocolate


 
Wendy Arrowsmith – Life, Love & Chocolate.

Het leven zelf, de liefde en niet te vergeten overheerlijke chocolade. Dit alles staat hoog op het prioriteitenlijstje van Wendy Arrowsmith en wellicht op dat van veel vrouwen. Chocolade: opwekkende,  bitterzoete troost.

Wendy Arrowsmith, Schotse  van geboorte en afkomstig uit Glasgow. Britse folk diep geworteld in de traditie is haar métier. Haar werk bestaat uit een naadloze mix van traditionals en originals waarbij zij zichzelf begeleidt op gitaar, accordeon en whistles. Verder wordt zij op haar derde album Life, Love & Chocolate o.a. bijgestaan door mandoline, viool, cello, concertina, banjo, pipes en een occasionele sopraan saxofoon.

Haar werk wordt soms vergeleken met June Tabor waarbij opgemerkt moet worden dat Arrowsmith’s stem doorgaans in de hogere regionen vertoeft. Ernst en gedragenheid deelt zij tevens met Tabor, tegelijkertijd laat Arrowsmith een grotere mate van frivoliteit horen. Verder kan een link naar het werk van Sarah McQuaid dienstig zijn, zij leent haar stem aan twee stukken.

In 2007 debuteerde Arrowsmith met Now Then, in 2009 opgevolgd door Seed Of Fools. Bij deze reeks opvolgende albums vertrouwt zij  in toenemende mate op haar eigen werk.

Op Life, Love & Chocolate neemt Arrowsmith de nodige tijd en rust om haar verhalen  te vertellen in elf ruimbemeten ballades.

De door haarzelf geschreven opener Sweeter By The Day verhaalt over de sluiting van een chocoladefabriek waarbij verschillende generaties arbeiders, zoals vaker, uiteindelijk het nakijken hebben.  U weet wel, de aandeelhouders… “Once I dipped a dream in chocolate, now I grow bitter by the day...”  Het pastorale strijkersarrangement zou de oppervlakkige luisteraar zomaar op het verkeerde been kunnen zetten.

De pipes worden binnen de traditional Wild White Swan  geïntroduceerd en vinden tevens een plek in Arrowsmith’s eigen The Lass o’ Gowrie wat het geheel een meer traditionele sfeer verleent. Halverwege het album hengelt Wendy met The Southern Girl’s Reply voor het eerst naar de muziek aan de overkant van de grote haringvijver. Banjo gedreven marcheermuziek uit de Amerikaanse burgeroorlog maar van origine afkomstig van de Britse eilanden.

Het smokkelen van wol naar het continent diende bestreden te worden eind 17e eeuw. Dat het niet altijd even gemakkelijk was om met de sterke arm van de wet getrouwd te zijn wordt in The Riding Officer bezongen. Je zou er de blues van krijgen...

Nog meer Americana is te horen in country-blues Midas Men handelend over slavernij (ook in onze eeuw) en het op een gospel standard geïnspireerde Moody’s Waltz.

Met de als bonus track vermomde afsluiter The Visitor kiest Arrowsmith het ruime sop. Aan boord, licht het anker, hijs de zeilen en een behouden vaart. Dit in ruim zeven minuten schitterend uitgewerkte geheel boeit van het af- en aanrollende getij tot aan het heerlijke koor dat de opvarenden welhaast eigenhandig aflevert in Robin Hood’s Bay.

Met Life, Love & Chocolate heeft Wendy Arrowsmith eigenhandig haar Trans-Atlantische songbook samengesteld. Een gedenkwaardig album, om met de wikkel van het meegestuurde schaambrokje chocolade te spreken: Heavenly & Divine.


Hans Jansen.



Releasedatum, 1 mei 2011 Weedog Records.

woensdag 4 mei 2011

Paul Simon – So Beautiful or So What


Paul Simon – So Beautiful or So What

In de jaren zeventig riepen Simon en Garfunkel mijn diepe afkeer op. Brave close harmony waarmee even brave Nederlands Hervormde jongelui met keurig gestreken bloesjes en het haar in een strakke scheiding dweepten. Deze volstrekt ongevaarlijke en burgerlijke muziek kon zelfs de instemming van paps en mams wegdragen. Melkmuiltjes, twee volstrekt non-discripte types. In een onbewaakt ogenblik wellicht onverhoeds aan te treffen achter de balie bij de plaatselijke Rabobank. Mijn adolescentenbrein had blijkbaar een flinke behoefte onderscheid te maken tussen de anderen (de hel volgens sommigen) en mijzelf. Tevens waren er mogelijk nog enkele rekeningen te vereffenen. Inmiddels strijkt niemand mijn bloesjes zo strak als ikzelf.

Halverwege de jaren tachtig had ik schoon genoeg van de post-punk, bovendien was het kokende lood van Joy Division, Echo a/t Bunnymen, Comsat Angels en The Sound gestold. Een mens kan niet eeuwig gedeprimeerd blijven. Muziek welke wortelt in de traditie verkreeg mijn aandacht. Suzanne Vega kwam in beeld met in haar slipstream een golf van singer songwriters met het hart op de tong. Ook kreeg ik hernieuwd aandacht voor lieden als Van Morrison, Tom Waits, John Hiatt en ineens was daar ook Paul Simon. You Can Call Me All, het was niet van de buis te slaan en het kreeg ook mij ongenadig te pakken.

Graceland bleek een onversneden meesterwerk te zijn, zelden werden intercontinentale muzikale invloeden zo mooi vermengd. Opvolger The Rhythm Of The Saints kwam ook in mijn kast terecht. Eerlijk gezegd ging de overmaat aan vuilnisbakken ritmiek mij vrij snel tegen staan waarna ik Paul Simon volstrekt uit het oog verloor. Blijkbaar een eenmalige bevlieging totdat ik onlangs kennis maakte met So Beautiful or So What.

Bij eerste beluistering van het album was daar ineens weer de vonk die oversloeg. Misschien dat de zonovergoten weersomstandigheden hierbij ook een rol speelden? Opener Getting Ready For Christmas Day zet onmiddelijk de toon. Swingende up-beat vrolijkheid waarbij de chant van het achtergrondkoortje “Getting ready, I’m getting ready, ready for Christmas Day!”de feestvreugde verhoogd.

Simon zet met The Afterlife en het verblindend mooie Dazzling Blue zijn multiculture tocht onnavolgbaar voort en hierbij Graceland en .. The Saints in herinnering roepend. Multicultilarisme als inspirator om de vorming van samenlevingen te inspireren is de laatste jaren met gretigheid ten grave gedragen maar wordt hier als muzikale uiting uitbundig gevierd. Struikelend, of met een hink-stap-sprong, beweegt Simon zich door Rewrite en eindelijk is daar ook de klaterende kora. Vergis je niet, hier klopt alles tot in de finesse. Tijd om een pas op de plaats te maken met de orchestrale ballade Love In Hard Time om vervolgens door te pakken met het veel overhoop halende Love Is Eternal Sacred Light. Liefde, het kwaad, demonen, de Bing Bang alles culminerend in “Love is eternal sacred light” Wat zouden wij zonder de liefde zijn? Armzalige creaturen wellicht.

De akoestische interlude Amulet vormt de opmaat voor het al even intimistische Questions For The Angel. Het stuwende Love And Blessings leidt naar titelnummer en uitsmijter So Beautiful or So What. De schone schijn wordt hier op de hak genomen. Alles wat Simon in huis heeft, en dat is niet gering, lijkt hier samengebald te zijn. Probeer dit maar weer eens uit je hoofd te krijgen en hierbij stil te blijven zitten!

Schone schijn? Welnee. Folk, blues, Afrikaanse muziek, blue grass en ritmiek van over de wereld alles geïnspireerd gebracht op  het foutloze So Beautiful or So What

 
Hans Jansen

Website http://www.paulsimon.com/
Releasedatum 12 april 2011, Concord.

dinsdag 3 mei 2011

Bella Hardy – Songs Lost & Stolen


Bella Hardy – Songs Lost & Stolen
Zingende zaag, een aarzelende akoestische gitaar en de welluidende vocalen van Bella Hardy openen  met Labyrinth  haar nieuwste album Songs Lost & Stolen. De bezongen zoektocht komt snel op dreef, dwingende strijkers en pulserende ritmes stuwen naar grote hoogte. Ideaal studiemateriaal voor Kate Bush mocht ze ooit van plan zijn om een overdaad aan studiotechniek en pathos links te laten liggen.

Bella Hardy afkomstig uit Derbyshire Engeland is met Songs Lost & Stolen toe aan haar derde album. In tegenstelling tot haar eerste twee albums bestaande uit meer traditionele folk songs nu uitsluitend bevolkt met eigen werk. Gelaagde folk songs met oog voor de traditie, Bella draait haar hand er niet meer voor om. Songs Lost & Stolen een fris en krachtig klinkend album badend in een uitgekiende instrumentatie bestaande uit o.a. viool, viola, gitaren, cello, toetsen, concertina, drums en opmerkelijk fraaie bas.

Americana liefhebbers die wel eens een Engels folk album willen proberen: slijper Walk It With You met slide gitaar van Kris Drever vertoeft geheel in Amerikaanse sfeer en is wellicht een  goede start om de rest van het album eens een kans te geven. Het donkere en beeldende Brigde Of Dean is de opmaat voor de “toekomstige traditional”  The Herring Girl. De lotgevallen van een jong meisje werkzaam op de visafslag geïnspireerd op een BBC documentaire preludeert op zijn beurt op het schandalig mooie Full Moon Over Amsterdam. Een mooiere folkballade verwacht ik dit jaar eigenlijk niet meer te horen. De cello voorkomt ternauwernood dat deze fraai getoonzette tederheid definitief in de stratosfeer opstijgt.

 Zorgvuldige opbouw en contrast, ook dit tekent Songs Lost & Stolen. Written In Green doorbreekt opzwepend en vol energie de zojuist opgebouwde initimiteit met puntige instrumentatie en zwierige accordeon. Het als tiener in de bus van huis naar school geschreven Jenny Wren vind uiteindelijk hier zijn plaats. Rosabel laat Bella’s eigen gedreven versie van The Beauty And The Beast in veertien couplettten horen. In Good Friday klinkt Bella op haar toegankelijkst, aanstekelijk en ideaal  radio materiaal  voor programmeurs met zin voor avontuur. Afsluiter Broken Mirror heeft genoeg aan stem en gitaar van dit grote talent.

Bella Hardy zet zichzelf met haar nieuwste en meest complete album definitief op de kaart als hedendaags Engels folk artiest van importantie. Songs Lost & Stolen, ciao Bella!

 
Hans Jansen.

Releasedatum: 18 april 2011, Navigator Records

 

 

woensdag 13 april 2011

Mary Waterson & Oliver Knight, The Days That Shaped Me.


Mary Waterson & Oliver Knight, The Days That Shaped Me.

Noord Amerika kent de vooraanstaande muzikale familie McGarrigle/Wainwright, Engeland Waterson/Carthy. Families met wagonladingen muzikaal talent in de genen. De jongste loot aan de Engelse stam betreft Marry Waterson & Oliver Knight. Marry en Oliver, broer en zus wiens moeder Lal Waterson enkele jaren geleden helaas overleed. Lal Waterson, monumentaal en ongeëvenaard vertolker van de Engelse folk. Samen met haar zoon Oliver verantwoordelijk voor de twee onvergetelijke meesterwerken Once In A Blue Moon en A Bed Of Roses.

Het in memoriam concert voor Lal Waterson in The Royal Albert Hall in 2007 was de start voor het debuutalbum The Days That Shaped Me. Het zou ruim drie jaar duren voordat het project afgerond zou zijn. The Days That Shaped Me is vrijwel in zijn geheel als hommage aan hun illustere moeder te beschouwen. Het album kent een min of meer overeenkomstige klankkleur als beide eerder genoemde albums. Pianist Reuben Taylor en klarinettist Jo Freya zijn hierbij terugkerende gastspelers. Verder kent dit zeer afwisselende album prominente gasten als James Yorkston, Kathryn Williams en Eliza Carthy.

De voorzichtige opener Father Us kent naast de prachtige samenzang van Marry Waterson en Kathryn Williams een fraaie vioolpartij van Eliza Carthy. Wanneer Marry in Revoiced, hoe toepasselijk getiteld, haar stem een octaaf laat zakken is de gelijkenis met Lal Waterson compleet. De appel valt niet ver van de boom. Een schok van herkenning ging bij eerste beluistering door mij heen.

The Gap is na een paar luisterbeurten niet meer uit je hoofd te branden, repeterende akoestische gitaarlijnen en Marry’s gedoubleerde stem in een af en aanrollend koortje. Overheersend op dit album zijn de immer sterke melodieën waarbij het geheel in bescheiden context uitgewerkt is en waarbij altijd de vocalen op de voorgrond staan.

In The Loosenend Arrow laat Marry de vocalen aan Eliza Carthy en hierbij zelf genoegen nemend met een plekje op achtergrond. Even later keert zij schitterend terug met de single Windy Day. Deze lome jazz ballade wordt heerlijk croonend voor het voetlicht gebracht waarbij Freya’s klarinet de bezongen herfstdag  ongehoord luister bij mag zetten. Het samen met James Yorkston geschreven en gebrachte Yolk Yellow Legged laat een onvervalst staaltje psychedelische folk horen. Binnen de context van het album blijkt het wonderwel te passen.

Het plechtstatige Rosy en hemelse  Angels Sing bevatten niet eerder gepubliceerde tekstflarden van Lal Waterson gevolgd door het slechts voor stem en gitaar gestemde Another Time. Het jazzy Run To Catch A Kiss benadert niet alleen de sfeer maar ook de vocale kracht van de al eerder genoemde McGarrigle zusters. Op afsluiter Secret Smile buitelen de stemmen van Waterson en Kathryn Williams nog eenmaal over elkaar.

Met het verslavende The Days That Shaped Me richten Waterson/Knight een bescheiden  monument op voor Lal Waterson. From Time To Time She’s In My Rhyme...

Hans Jansen.

Releasdatum, 28 maart 2011, One Little Indian.